Praten is een belangrijke manier om contact te maken met anderen. Soms lukt dat niet vanzelf, bijvoorbeeld wanneer een kind moeilijk verstaanbaar is, stottert of moeite heeft met het maken van klanken. Ook bij volwassenen kunnen spraakproblemen ontstaan, bijvoorbeeld na ziekte of een neurologische aandoening. Logopedie kan helpen om het spreken te verbeteren, vertrouwen te vergroten en communicatie weer makkelijker te maken in het dagelijks leven.
Nasaliteit (neusspraak)
Er is sprake van een nasaliteitsstoornis, ook wel neusspraak genoemd, wanneer de klankkleur (resonantie) van de spraak anders klinkt dan verwacht. De spraak kan te veel of juist te weinig door de neus klinken. Hierdoor kan de verstaanbaarheid verminderen.
Tijdens het spreken worden de meeste klanken via de mond gevormd. Het zachte gehemelte sluit dan de verbinding met de neus af, zodat lucht niet door de neus ontsnapt. Alleen bij de klanken m, n en ng blijft deze verbinding open, waardoor deze klanken door de neus klinken.
Wanneer deze afsluiting of doorgang niet goed functioneert, kan een afwijkende nasaliteit ontstaan. Er worden meestal drie vormen onderscheiden:
- Open neusspraak: er ontsnapt te veel lucht via de neus bij klanken die normaal via de mond worden gevormd. De spraak kan hierdoor nasaal of onduidelijk klinken.
- Gesloten neusspraak: er komt juist te weinig lucht door de neus. De spraak klinkt dan verstopt of nasaal gedempt, bijvoorbeeld alsof iemand verkouden is.
- Gemengde neusspraak: een combinatie van beide vormen.
De oorzaken van een nasaliteitsstoornis kunnen verschillend zijn. Bij open neusspraak kan dit bijvoorbeeld samenhangen met een aangeboren lip-, kaak- en/of gehemeltespleet, een te kort of minder goed werkend zacht gehemelte of een verminderde spierfunctie, bijvoorbeeld na neurologisch letsel. Gesloten neusspraak ontstaat vaak door een belemmering in de neus, zoals een vergrote neusamandel, neuspoliepen, gezwollen slijmvliezen of een afwijking van het neustussenschot.
Een KNO-arts onderzoekt en beoordeelt meestal eerst de medische oorzaak.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt de spraak en beoordeelt de mate van nasaliteit en de invloed daarvan op de verstaanbaarheid. Daarbij wordt gekeken naar de samenwerking van ademhaling, stem, articulatie en de werking van het zachte gehemelte.
De behandeling hangt af van de oorzaak van de nasaliteitsstoornis. Soms is eerst een medische of chirurgische behandeling nodig voordat logopedie kan starten. Wanneer logopedische behandeling mogelijk is, richt deze zich op het verbeteren van het spraakgedrag en het optimaal gebruiken van de beschikbare mogelijkheden.
Bij open neusspraak kan worden gewerkt aan het activeren en versterken van de spieren van het zachte gehemelte en aan een duidelijke en gerichte uitspraak. Bij gesloten neusspraak ligt de nadruk vaak op het beter leren gebruiken van de neusweg en het aanpassen van de adem- en spraakpatronen.
Het doel van de behandeling is een zo duidelijk mogelijke verstaanbaarheid en een spraak die past bij de mogelijkheden van de cliënt.
Dysartrie
Dysartrie is een spraakstoornis die ontstaat door een beschadiging of aandoening van het zenuwstelsel. Hierdoor werken de spieren die nodig zijn voor ademen, stemgeven en spreken minder goed samen. De spraak kan daardoor minder duidelijk, trager of moeilijker verstaanbaar worden.
Dysartrie kan verschillende oorzaken hebben, zoals een beroerte (CVA), een hersenletsel door een ongeval, een hersentumor of een neurologische aandoening, zoals de ziekte van Parkinson of een spierziekte zoals ALS. Deze aandoeningen komen vooral voor bij volwassenen en ouderen, maar dysartrie kan ook bij kinderen en jongeren ontstaan.
Mensen met dysartrie kunnen merken dat hun uitspraak minder duidelijk wordt, dat de stem zachter of hees klinkt of dat het spreken eentonig of nasaal klinkt. Soms is het tempo van spreken veranderd of kost spreken meer moeite. Ook kunnen er bijkomende problemen zijn, zoals verminderde mimiek, speekselverlies of slikproblemen.
Deze veranderingen kunnen invloed hebben op de communicatie in het dagelijks leven. Het kan bijvoorbeeld lastiger worden om gesprekken te voeren, begrepen te worden of actief deel te nemen aan sociale situaties.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt hoe de spieren in het gezicht, de mond en de ademhaling samenwerken tijdens het spreken. Daarbij wordt gekeken naar de uitspraak, stem, ademhaling, verstaanbaarheid en eventueel het slikken. Ook wordt beoordeeld welke invloed de spraakproblemen hebben op de communicatie in het dagelijks leven.
De behandeling richt zich op het verbeteren of behouden van de verstaanbaarheid en het zo goed mogelijk benutten van de mogelijkheden die er zijn. Er kan gewerkt worden aan ademhaling, stemgebruik, uitspraak, tempo van spreken en mondmotoriek. Ook wordt aandacht besteed aan een goede houding en een efficiënte manier van spreken.
Daarnaast geeft de logopedist praktische adviezen aan de cliënt en de omgeving, bijvoorbeeld over hoe communicatie zo duidelijk mogelijk kan verlopen. Wanneer spreken moeilijk blijft, kan de logopedist ondersteunen bij het vinden en gebruiken van passende communicatiemiddelen, zoals gebaren, communicatiekaarten of digitale hulpmiddelen.
Het doel van de behandeling is dat iemand met dysartrie zo goed mogelijk kan blijven communiceren en deelnemen aan het dagelijks leven, binnen de mogelijkheden van de aandoening.
Broddelen
Broddelen is een stoornis in het spreken waarbij de spraak vaak snel, onregelmatig en moeilijk verstaanbaar is. Woorden kunnen in elkaar overlopen of onduidelijk uitgesproken worden. Het spreektempo ligt vaak hoog en er kunnen herhalingen van woorden of klanken voorkomen. Ook kunnen zinnen minder goed opgebouwd zijn, waardoor het voor de luisteraar lastig kan zijn om de boodschap te begrijpen.
Kenmerken van broddelen kunnen bijvoorbeeld zijn: een slappe of onduidelijke uitspraak, woorden die worden ingeslikt of samengevoegd, veel stopwoordjes, snel praten en moeite met het ordenen van gedachten tijdens het spreken. Soms hebben mensen met broddelen ook moeite met schrijven of het duidelijk formuleren van teksten.
Broddelen kan voorkomen bij kinderen, jongeren en volwassenen. Het kan samengaan met aandachts- of concentratieproblemen, maar dat is niet altijd het geval. Mensen die broddelen merken vaak wel dat anderen hen niet goed verstaan, maar zijn zich tijdens het spreken niet altijd bewust van hun manier van spreken.
Omdat er soms herhalingen in de spraak voorkomen, kan broddelen lijken op stotteren. Een belangrijk verschil is dat mensen die stotteren zich meestal bewust zijn van hun spraakproblemen, terwijl mensen die broddelen zich daar minder van bewust zijn.
De precieze oorzaak van broddelen is niet altijd duidelijk. Vaak speelt de ontwikkeling en samenwerking van spraak, taal en tempo een rol. De kenmerken worden meestal duidelijker zichtbaar wanneer er hogere eisen worden gesteld aan communicatie, bijvoorbeeld op school of in het werk.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt de manier van spreken en kijkt naar uitspraak, spreektempo, verstaanbaarheid en taalgebruik. Ook wordt bekeken welke invloed het broddelen heeft op communicatie in het dagelijks leven, bijvoorbeeld op school, werk of in sociale situaties.
De behandeling richt zich vaak op het vergroten van bewustwording van de eigen manier van spreken en het aanleren van vaardigheden om duidelijker en rustiger te spreken. Er kan gewerkt worden aan tempo, articulatie, zinsopbouw, ademhaling en het structureren van gedachten tijdens het spreken.
Bij kinderen kan ook aandacht worden besteed aan taal- en leerontwikkeling. Wanneer nodig wordt samengewerkt met school of andere betrokkenen om de communicatie zo goed mogelijk te ondersteunen.
Het doel van de behandeling is dat iemand beter verstaanbaar wordt, meer grip krijgt op het spreken en met meer vertrouwen kan communiceren in het dagelijks leven.
Stotteren
Stotteren is een stoornis in het vloeiend spreken. Het spreken verloopt niet soepel, waardoor klanken, lettergrepen of woorden herhaald of verlengd kunnen worden. Soms kan het spreken ook tijdelijk blokkeren. Dit kan gepaard gaan met spanning of extra inspanning om woorden uit te spreken.
Naast deze hoorbare kenmerken kunnen er ook andere signalen optreden, zoals spanning in het gezicht of lichaam, meebewegingen, een verstoorde ademhaling of zweten tijdens het spreken. Sommige mensen ontwikkelen daarnaast strategieën om moeilijke woorden of situaties te vermijden. Dit kan invloed hebben op zelfvertrouwen en op deelname aan gesprekken of sociale situaties.
Stotteren ontstaat meestal bij jonge kinderen, vaak tussen de leeftijd van twee en zeven jaar. Bij een deel van de kinderen verdwijnt het stotteren vanzelf. Wanneer het stotteren blijft bestaan of toeneemt, kan begeleiding door een logopedist of stottertherapeut helpend zijn. Vroege signalering en goede informatie voor ouders zijn daarbij belangrijk.
Tegenwoordig wordt stotteren gezien als een combinatie van aanleg en factoren die invloed hebben op de spraakmotoriek, zoals ademhaling, stem en articulatie. Ook emoties, spanning en de omgeving kunnen een rol spelen bij het ontstaan en in stand houden van stotteren.
Hoewel stotteren meestal in de kindertijd begint, kan het in zeldzame gevallen ook op latere leeftijd ontstaan, bijvoorbeeld na een ingrijpende gebeurtenis of bij neurologisch letsel.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt het stotteren en kijkt naar het verloop, de ernst en de invloed op de communicatie in het dagelijks leven. Daarbij wordt gekeken naar het hoorbare stottergedrag, de spanning tijdens het spreken en factoren die het stotteren kunnen beïnvloeden, zoals de omgeving of emoties.
De behandeling wordt afgestemd op de leeftijd en de behoeften van de cliënt. Bij jonge kinderen ligt de nadruk vaak op begeleiding van ouders en het creëren van een rustige en ondersteunende communicatieomgeving. Soms bestaat de behandeling uit indirecte begeleiding van ouders, soms uit directe therapie met het kind.
Bij oudere kinderen, jongeren en volwassenen kan de behandeling zich richten op het aanleren van spreektechnieken, het verminderen van spanning tijdens het spreken en het vergroten van zelfvertrouwen in communicatie. Ook wordt aandacht besteed aan hoe iemand omgaat met het stotteren in verschillende situaties, zoals op school, werk of in sociale contacten.
Wanneer de stotterproblematiek complex is, kan samenwerking of verwijzing naar een gespecialiseerde stottertherapeut zinvol zijn.
Het doel van de behandeling is dat iemand met meer vertrouwen en controle kan spreken en zo prettig mogelijk kan communiceren in het dagelijks leven.
Slissen en lispelen
Bij slissen of lispelen wordt de klank s (en soms ook andere klanken, zoals z, sj of zj) anders uitgesproken dan gebruikelijk. De klank kan bijvoorbeeld zacht, onzuiver of “tussen de tanden door” klinken. Hierdoor kan de verstaanbaarheid verminderen.
Slissen ontstaat vaak doordat de tong tijdens het spreken op een verkeerde plaats ligt of zich anders beweegt dan nodig is voor een duidelijke uitspraak. De tong kan bijvoorbeeld naar voren tussen de tanden worden geduwd of te breed tegen de tanden of kiezen aan liggen. Ook kan een verminderde kracht of controle van de tongspieren een rol spelen.
Er zijn verschillende factoren die invloed kunnen hebben op het ontstaan van slissen of lispelen. Zo kan het samenhangen met een afwijkende stand van het gebit, zoals een open beet, of met gewoonten zoals duimzuigen, langdurig speengebruik of afwijkend slikken. Soms is het vooral een kwestie van het verkeerd aanleren van de klank tijdens de spraakontwikkeling.
Slissen of lispelen ontstaat meestal in de kindertijd, maar kan ook bij jongeren en volwassenen voorkomen. Wanneer de uitspraak langere tijd onduidelijk blijft, kan dit invloed hebben op zelfvertrouwen, communicatie en bijvoorbeeld functioneren op school of werk.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt hoe de klanken worden uitgesproken en kijkt naar de werking van de tong, lippen en kaak tijdens het spreken. Daarbij wordt ook gekeken naar mogelijke oorzaken, zoals mondmotoriek, slikpatronen of de stand van het gebit.
De behandeling richt zich op het aanleren van een correcte uitspraak van de klank. Dit gebeurt stap voor stap. Eerst wordt geoefend met het goed vormen van de klank zelf, daarna met lettergrepen, woorden en zinnen, en uiteindelijk met het toepassen van de juiste uitspraak in het dagelijks spreken.
Wanneer nodig kan ook gewerkt worden aan het versterken van de mondspieren of het verbeteren van de tongpositie en slikfunctie. Soms wordt samengewerkt met andere zorgverleners, zoals een tandarts of orthodontist.
Het doel van de behandeling is een duidelijke en verstaanbare uitspraak, zodat communicatie soepel en met vertrouwen kan verlopen.
Verbale apraxie
Verbale apraxie is een spraakstoornis waarbij iemand moeite heeft met het plannen en aansturen van de bewegingen die nodig zijn om te spreken. De spieren van de mond en tong werken meestal goed, maar de hersenen hebben moeite om de juiste spraakbewegingen in de juiste volgorde te organiseren.
De oorzaak van verbale apraxie is meestal hersenletsel, bijvoorbeeld door een beroerte (CVA), een ongeval, een hersentumor of een andere neurologische aandoening. Verbale apraxie kan plotseling ontstaan en komt vooral voor bij volwassenen, maar kan ook bij kinderen voorkomen.
Een kenmerk van verbale apraxie is dat iemand zichtbaar moeite heeft om woorden goed uit te spreken. Er kan sprake zijn van zoeken naar de juiste klank of mondstand, wisselende fouten in de uitspraak en moeite om woorden of zinnen vloeiend te produceren. Het lukt soms beter om een woord spontaan te zeggen dan om het op verzoek te herhalen. De verstaanbaarheid kan hierdoor sterk variëren.
De ernst van verbale apraxie verschilt per persoon. In sommige gevallen is spreken nauwelijks mogelijk, terwijl in andere situaties alleen bepaalde klanken of woorden moeilijk zijn. Verbale apraxie kan op zichzelf voorkomen, maar ook samengaan met andere stoornissen, zoals afasie of dysartrie.
Deze problemen kunnen grote invloed hebben op communicatie, zelfstandigheid en deelname aan het dagelijks leven.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt de spraak, verstaanbaarheid en mondmotoriek en kijkt hoe iemand klanken en woorden aanstuurt tijdens het spreken. Daarbij wordt beoordeeld welke bewegingen moeilijk zijn en hoe de communicatie in het dagelijks leven verloopt. Wanneer nodig kan aanvullend onderzoek door een medisch specialist plaatsvinden.
De behandeling richt zich op het opnieuw aanleren en automatiseren van spraakbewegingen. Dit gebeurt stap voor stap, met veel herhaling en ondersteuning. Er kan bijvoorbeeld gewerkt worden met visuele, auditieve of ritmische ondersteuning, zoals het gebruik van tempo, klappen of zingen om het spreken te ondersteunen.
Wanneer spreken (tijdelijk) moeilijk is, kan de logopedist helpen bij het inzetten van andere manieren van communiceren, zoals gebaren, communicatiekaarten of digitale hulpmiddelen.
Daarnaast geeft de logopedist uitleg en praktische adviezen aan de cliënt en de omgeving over hoe communicatie zo goed mogelijk ondersteund kan worden.
Het doel van de behandeling is dat iemand zo duidelijk en zelfstandig mogelijk kan communiceren, binnen de mogelijkheden van de aandoening.
Verbale ontwikkelingsdyspraxie (spraakontwikkelingsdyspraxie)
Verbale ontwikkelingsdyspraxie is een spraakstoornis waarbij een kind moeite heeft met het plannen en aansturen van de bewegingen die nodig zijn om te spreken. De spieren van de mond werken meestal goed, maar het lukt het kind niet om de juiste bewegingen op het juiste moment en in de juiste volgorde uit te voeren.
Kinderen met verbale ontwikkelingsdyspraxie kunnen moeite hebben om klanken en woorden duidelijk uit te spreken. De uitspraak kan wisselend zijn: een woord lukt de ene keer wel en de andere keer niet. Klanken kunnen worden weggelaten, verwisseld of op een andere plaats in het woord terechtkomen. Hierdoor kan de spraak moeilijk verstaanbaar zijn.
Soms zijn er ook problemen met andere mondbewegingen, zoals eten, drinken, blazen of zuigen. Het kost kinderen vaak veel moeite om zich verstaanbaar te maken, wat invloed kan hebben op de communicatie, het zelfvertrouwen en het contact met anderen.
Verbale ontwikkelingsdyspraxie ontstaat tijdens de ontwikkeling van het kind en herstelt meestal niet vanzelf. Vroege herkenning en gerichte begeleiding zijn daarom belangrijk.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt hoe het kind spreekt en hoe de mond, tong en lippen samenwerken tijdens het maken van klanken. Daarbij wordt gekeken naar de verstaanbaarheid, de mondmotoriek en, indien nodig, het eten en drinken. Soms is aanvullend onderzoek door een kinderarts of andere specialist nodig.
De behandeling richt zich op het stap voor stap aanleren en automatiseren van spraakbewegingen. Dit gebeurt op een gestructureerde en speelse manier, met veel herhaling en ondersteuning. Klanken en woorden worden geoefend in kleine stappen, zodat het kind leert de bewegingen steeds nauwkeuriger aan te sturen.
Ouders spelen een belangrijke rol in de behandeling. Zij krijgen uitleg en praktische adviezen om de communicatie en het oefenen thuis te ondersteunen.
De duur en het resultaat van de behandeling verschillen per kind en zijn afhankelijk van de ernst van de problemen en het moment waarop de begeleiding start. Met tijdige en passende ondersteuning kunnen veel kinderen hun spraakvaardigheden verder ontwikkelen en beter verstaanbaar worden.
Vertraagde spraakontwikkeling
Er is sprake van een vertraagde spraakontwikkeling wanneer een jong kind duidelijk later of minder goed leert praten dan leeftijdgenootjes. Het kind spreekt bijvoorbeeld nog weinig, gebruikt korte zinnen of is moeilijk verstaanbaar voor de omgeving. Soms begrijpt het kind ook minder goed wat er gezegd wordt.
Een vertraagde spraakontwikkeling kan verschillende oorzaken hebben. Zo kan het samenhangen met slechthorendheid, een algemene ontwikkelingsachterstand of een taalontwikkelingsstoornis. Soms is er geen duidelijke oorzaak, maar verloopt de ontwikkeling wel langzamer dan verwacht.
Bij de ontwikkeling van spraak wordt onderscheid gemaakt tussen twee belangrijke aspecten:
- Fonologische ontwikkeling: het leren gebruiken en combineren van klanken in woorden (bijvoorbeeld het vervangen of weglaten van klanken).
- Fonetische ontwikkeling: het leren maken van de juiste mondbewegingen om klanken goed uit te spreken.
Een kind kan problemen hebben op één van deze gebieden of op beide. Dit kan invloed hebben op de verstaanbaarheid en op de communicatie met anderen.
Wanneer een kind zich moeilijk verstaanbaar kan maken, kan dat frustratie geven. Het kind kan boos of verdrietig worden wanneer het niet begrepen wordt, of zich juist terugtrekken uit contact. Ook kan een vertraagde spraakontwikkeling invloed hebben op het leren op school en op het zelfvertrouwen.
Vroege signalering en begeleiding zijn belangrijk, omdat een vertraagde spraakontwikkeling meestal goed te behandelen is, vooral wanneer ondersteuning op jonge leeftijd start.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt de spraak- en taalontwikkeling van het kind en kijkt naar de verstaanbaarheid, het taalbegrip en de manier waarop het kind communiceert. Hierbij kunnen gestandaardiseerde testen worden gebruikt. Wanneer nodig kan aanvullend onderzoek plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een kinderarts, KNO-arts of in een audiologisch centrum.
De behandeling kan bestaan uit indirecte en/of directe therapie.
Bij indirecte therapie krijgen ouders uitleg en praktische adviezen om de communicatie en taalontwikkeling thuis te stimuleren.
Bij directe therapie werkt de logopedist samen met het kind aan het verbeteren van de spraak en communicatie.
Afhankelijk van de aard van de problemen kan de behandeling zich richten op:
- het vergroten van de woordenschat en zinsopbouw
- het verbeteren van de uitspraak en verstaanbaarheid
- het stimuleren van taalbegrip en luistervaardigheden
- het ontwikkelen van communicatieve vaardigheden, zoals oogcontact, beurt nemen en imiteren
Wanneer er sprake is van problemen met het aansturen van spraakbewegingen of de mondmotoriek, kan gebruik worden gemaakt van specifieke behandelmethoden, zoals PROMPT (een methode waarbij de logopedist het kind helpt om spraakbewegingen beter te voelen en aan te sturen).
Ouders of verzorgers worden actief betrokken bij de behandeling, zodat zij het kind ook in het dagelijks leven kunnen ondersteunen.
Het doel van de begeleiding is dat het kind zich duidelijker kan uitdrukken, beter begrepen wordt en met vertrouwen kan communiceren in het dagelijks leven.
Aangesloten bij